Il Leone

Fiorenzo Magni in de Ronde van Italië van 1956: omdat hij door een gebroken sleutelbeen niet aan het stuur kan trekken, knelt hij een stuk tube tussen de tanden om dat daarmee te doen.

Fiorenzo Magni: Il Leone delle Fiandre

 

Zondag 1 April 1951, de Guido Gezellestraat
in mijn geboortedorp Denderleeuw, het is kermis,
ik zie er als vierjarige kleuter voor de eerste keer
een neger – de mensen noemen hem Boelaboela –,
een neger die uit zijn roze handpalmen
in witte papieren puntzakken gitzwarte anijsbollen verkoopt.
En ik kijk al even fel mijn kleine ogen uit
op een lesbische dame die in een café
stijlvol aan het drumstel zit en brillantine
in het strak naar achter gekamde haar heeft.
“Het is precies een man”, zegt mijn vader,
maar ik begrijp hem niet, ik zié een man !

En dan, die namiddag: de Ronde van Vlaanderen stormt
door onze straat, ik kijk naar besmeurde mannen
met blote benen, bibberende monden, blauwe handen.
Op fietsen. In mijn straat waar de kasseien blinken
als duizend in de grond geduwde kale schedels.
De dode priester-dichter Gezelle slaapt ver weg
in zijn kil en megalomaan Brugs praalgraf,
hij kent de koers niet, hij heeft nooit gezien
hoe mannen met een doornenkroon van labeur en pijn
driftig door zijn lyrisch Vlaanderen koersen.
En hij kon ook niet vermoeden dat de Geraardsbergse Muur
voor de renners een Golgotha zou worden en de kelk
als aluminiumkruik vermomd niet,
nooit aan hen voorbij zou gaan.
Ecce homo Gezelle.

Ik sta aan de overkant van mijn geboortehuis
aan de hand van vader-met-deukhoed-op-het-hoofd,
het stormt, de nog niet zo lang voorbije oorlog
leeft verder in de auto’s die verkrampt voorbijrijden,
hun koplampen dansen als verlichte keverogen.
Gendarmes op motoren – Zwaantjes genoemd –
zwemmen grommend over de hobbelige weg,
hun lange zwarte leren jassen wapperen
in de wind, hun mond en kop staan stijf,
onder hun kin het riempje dat alles samen houdt.
Mijn vader zegt me op te passen, ik druk me
tegen zijn been aan, zoek beschutting bij zijn kracht.
Hij is groot, mijn vader, hij vreest niets,
hij wacht samen met mij. Op de renners.

Nog een goeie dertig kilometer tot de eindmeet
maar de wedstrijd is al gereden. Ik zie hem,
een man van ijzer op een fiets van staal, een Caesar,
de uit Firenze overgewaaide kale Fiorenzo Magni,
op weg naar zijn eeuwige roem en eretitel :
Il leone delle Fiandre, drie maal winnaar
van deze apocalyptische koers, deze tornado op tubes.
Hij hangt over het stuur gebogen, zijn verstarde blik
kruist héél even mijn ogen, vier ogen dus,
twee van de kleuter en twee van de krijger,
op bijna gelijke hoogte. Meteen daarna spat
van zijn achterwiel water over me heen,
ik krijg de inwijdende douche, het wijwater
uit de koershemel, ik beef en kijk,
de kleine ogen uit mijn kinderkop.
“Het is Magni”, roept mijn vader, ”ik ken hem
van de krant en het nummer één op zijn rug.”

Minuten later volgt de exotische sliert namen
der verslagenen: Gauthier, Redolfi, Petrucci, Baldassari.
En Reus Van Steenbergen, Bakkertje Impanis.
Ik prent de kale knikker van Magni in mijn hoofd,
ik sla het gas der motoren op in mijn longen,
ik kneed en koester het opspattend slijk
tussen mijn kleine vingers. Ik ben verloren.
En win de onvoorwaardelijke liefde voor de koers.
Fiorenzo Magni: een blanke Italiaanse hostie
op de tong van mijn verlangen naar de strijd,
naar de wieleroorlog die Vlaanderen platwalst,
elk jaar weer, een heroïsch feest van lijden,
een Hoogdag voor het volk.